Voorgeschiedenis

Eerst in de middeleeuwen duikt de naam “hospitaal” op. Bij oude schrijvers als Meijerus (Rerum Flandicarum), Nicolas Despars (Cronijcke van Vlaenderen) en Nicolos de Tombeur (Provincia Belgica) vinden we de algemene term “hospitaal” terug. Het stedelijk hospitaal van Kortrijk zou bestaan sinds 1211, het stedelijk hospitaal van Roeselare zou volgens Despars (Cronijcke van Vlaenderen, I,501/3-504) gesticht zijn in 1245. Het werd, volgens dezelfde schrijver, opgericht door Margareta van Constantinopel, dochter van Boudewijn, graaf van Vlaanderen, en tweede echtgenote van Willem van Dampierre. Margareta zou aldus de laatste wens van haar zuster, Johanna van Constantinopel (overleden in 1244) volbracht hebben, die de wens had uitgedrukt hier een toevluchtsoord op te richten waar pelgrims enkele dagen konden rusten. Uit dit laatste blijkt dat we voorzichtig moeten zijn met de term “hospitaal”. Volgens onze normen zou hospitaal synoniem zijn van ziekenhuis, waar uiteraard “zieken” werden verpleegd. Maar in de middeleeuwen (en zelfs nog veel later) was dat helemaal niet het geval. De term “hospitaal” verraadt het Latijnse woord “hospis” wat “gast” betekent. En inderdaad, een “hospitaal” was toen een plaats waar meestal reizigers van hun vaak erg vermoeiende reizen en eventueel opgelopen verwondingen konden recupereren, (cfr. supra: de pelgrims). Van echte geneeskunde en verpleging was toen nog geen sprake.
Zo kan de term “gasthuis” etymologisch verklaard worden als zijnde een “hospitaal”. Een gasthuis werd opgetrokken langs de Zuidstraat (waar nu het klein seminarie staat) en onder de bescherming gesteld van St.-Jan: “est … in hoc oppido fundatum hospitale sub invocatione sancti johannis” (Het is in deze stad dat een hospitaal werd gestich onder bescherming van de H. Johannes – Anabectes Hist. Ecclès. de la Belgique, III, (1886), 74.), patroonheilige der Hospitaalridders uit de Eerste Kruistocht naar het H. Land. Reeds in 1268 werd er, door Walter van Schiervelde, een kapelrij gestich ter ere van O.-L.-Vrouw “ad opus cappellani instituendi in hospitali de Rollario; in honore beate M. Virg.” (Om een kapelanie op te richten in het hospitaal van Roeselare ter ere van de gelukzalige H. Maagd. – ANGILLIS, in “Annales Soc. Em. de Bruges” XX,292-294). En op die manier heeft De Potter verkeerdelijk de naam O.-L.-Vrouw-hospitaal toegeschreven aan het hospitaal i.p.v. St.-Jans-hospitaal. Men kan het gasthuis terugvinden op het plan van Sanderus in zijn “Flandria illustrata” uitgegeven in 1644, maar zelfs in de stadsrekening van 1494-’95 staat reeds vermeld dat er “betaelt werd van houte gheleit thebbene in de zuutstraete bij den gasthuuze”.
Het hospitaal was zeker niet groot want er waren slechts 5 bedden en regelmatig werden door het stadsbestuur sommen betaald om zieken naar andere hospitalen (o.a. Kortrijk) te voeren. Om dit te staven even een uittreksel uit de stadsrekening van 1556-1557 (R. 205,12 V): “betaelt marijn de Ketelaere van dat hij gheuoert heeft een scamel man alhier int hospitaal zieck ligghende vuter stede naer Curtrijck.” Tevens werd er tot in de XVIe eeuw nog school gehouden.
Op welk ogenblik het St. Jansgasthuis heeft opgehouden te bestaan kan niet met zekerheid worden gezegd. In het begin van de XVIIe eeuw waren er, in elk geval, alle werkzaamheden stilgelegd, want in 1628 schreef Denis Christophorus, bisschop van Brugge, “dat de inkomsten van het hospitaal niet konden volstaan om de gebouwen te herstellen en er nog langer hospitaliteit te verlenen, en dat daarom de gelden reeds sedert verschillende jaren werden gebruikt om verbeteringen en versieringen aan de parochiekerk aan te brengen. Op 11 februari 1635 werd het oude gesticht aan de paters Augustijnen overgedragen. (De Tombeur, in “Provincia Belgica ord. Er. S. Aug.”, V)
Door giften en dotaties aan liefdadigheidsinstellingen, die toebehoorden aan kloosterorden, werden deze laatsten eigenaar van zeer grote bezittingen. Zo verging het ook met de kapelanie van het hospitaal die in de loop der eeuw zeer werd goed begiftigd, met in de eerste honderd jaar vooral landerijen en renten.
De Franse Revolutie heeft dan de kloosterorden van hun eigendommen ontroofd om ze voor zich te nemen en onder staatscontrole te plaatsen. Zij heeft echter een zekere plaatselijke autonomie moeten eerbiedigen en heet de “Bureaux de Bienfaisance” in het leven geroepen. Deze Burelen van Weldadigheid (de latere C.O.O.) hebben de goederen van de kloostergemeenschappen in eigendom ontvangen, inbegrepen deze die uitsluitend bestemd waren om sukkelaars van de maatschappij met de meeste liefdadigheid te verzorgen.
Zou men hierdoor geneigd zijn aan te nemen dat de C.O.O. (vanaf 10 maart 1925 bestaat die benaming) slechts vanaf de Franse Revolutie zou bestaan hebben, dan bestaat de idee in se al veel langer. De liefdadigheid in de zin van naastenliefde is het voornaamste beginsel van de christelijke leer en vindt dus ook met de opkomst van het Christendom zijn oorsprong. Hiervan de historische groei en verwezenlijkingen geven zou ons te ver leiden. Wel dient gezegd te worden dat de liefdadigheid zich vooral in de middeleeuwen geconcretiseerd heeft in liefdadigheidsinstellingen, meestal toebehorend aan kloosterorden.
Maar er waren ook andere, de zgn. stichtingen. Deze stichtingen werden opgericht door enkele godvruchtige particulieren; ze zouden zich evenwijdig met de traditionele uitingen van kerkelijke liefdadigheid ontwikkelen of ze stilaan vervangen. (cfr. infra: De Franse Revolutie). Uit de stichtingsakten blijkt dat meestal de gevers gedreven werden door het verlangen naar een verzoening met God. Werd hun houding hen ingegeven door een oprecht berouw, een ware nederigheid, de angst voor de dood en de straffen van het hiernamaals, dan heeft dit alles weinig belang; hun edelmoedigheid was de armen zeer nuttig. De idee van het Armenbestuur was tot stand gekomen. Heel wat later, in 1801, werd een Concordaat gesloten tussen Rome (Pius VII) en Napoleon.
Dit Concordaat, regelde het veranderen van eigenaar van vele gasthuizen en deze regeling is tot op heden nog van kracht. Het Concordaat heeft voor gevolg gehad dat veel gasthuizen in het bezit zijn gekomen en gebleven van Commissies van Openbare Onderstand, en teens dat de vorige eigenaar, de kloostergemeenschap zijn vroeger bezit bleef dienen.
Pas vanaf de Franse Revolutie kunnen we zeggen dat de geneeskunde en verpleging sterk gaat evolueren. Het beste bewijs daarvan is dat slechts met het Koninklijk Besluit van 27 september 1835 de barbier-chirurgijn vervangen werd door de heelkundige, drager van een getuigschrift.
Het beroep “gediplomeerde verpleegster” werd nog iets later ingesteld. De ziekendragers en ziekendiensters werden vroeger “reeuwers en reeuweriggen” genoemd, maar hun taak stemde uiteraard niet overeen met die van de verplegers en verpleegsters nu!
Het was Florence Nightingale die, tijdens de Krimoorlog (1854-1856) door de lamentabele hygiënische toestanden waarin het Engelse leger verkeerde, getroffen werd en zich temidden het leger vestigde met enkele helpsters. Eens terug in Engeland richtte zij een verpleegstersschool op en reikte diploma’s uit voor bekwaamheid. We moeten wachten tot het jaar 1908 om dit diploma in België te zien instellen. Tijdens die periode boekte ook de interne geneeskunde, gebaseerd op wetenschappelijk verantwoorde laboratoriumanalyse zowel fysische, scheikundige als bacteriologische en andere, grote vooruitgang.
Door die evolutie zijn de vroegere “hospicen”, hospitalen en klinieken geworden. Doorheen al die evoluties blijft de kloostergemeenschap meestal op post, zodat ze nu bestemd is om zeer moderne geneeskunde ten bate van zieke mensen te helpen uitoefenen.